Nieuws

Te gast bij PwC | Jong talent en werkgevers over de arbeidsmarkt

Het aantrekken en behouden van talent is een van de grootste uitdagingen voor werkgevers anno 2022. Waarnaar zijn jongeren op zoek in hun werk? En hoe kunnen werkgevers daar goed op inspelen? In aanloop naar het Workforce Preference Study (WFPS)-evenement 2022 brengt PwC verschillende vertegenwoordigers van jong talent en van werkgevers bijeen voor een gesprek.

In het eerste gesprek bespraken Marie-Christine de Loë en Raymond Welmers de uitdagingen tussen jongeren en organisaties op de arbeidsmarkt. In het tweede gesprek schoven Juno Wilbrink en Marc Borggreven aan. Ze spraken over de resultaten van de WFPS en hoe deze zich verhouden tot de bestuurlijke ervaringen van Marc in de afgelopen vier jaar. In dit derde en laatste interview van deze serie schuiven Janet Visbeen (lid PwC NL Tax en Legal board) en Justine Feitsma (voorzitter CNV Jongeren) aan. Samen spreken ze onder andere over de relatie tussen werkgever en werknemer, het belang van een goed basissalaris en de wellbeing van jong talent.

Een ‘relatie’ met jouw werkgever

Marc Borggreven en Juno Wilbrink sloten het vorige interview af met een vraag voor Justine Feitsma en Janet Visbeen: hoe zorg je er – ondanks de verschillende belangen – toch voor dat je als werkgever en werknemer elkaar vindt om samen verder te gaan in de organisatie?

Visbeen: ‘Ik zie het een beetje als een relatie die je aangaat. Er moet iets voor jezelf inzitten, maar je wilt er ook met de andere partij uitkomen. Als je het landschap van vakbonden en ondernemingsraden bekijkt, is dat altijd constructief. In ieder geval bij PwC. Meestal sta je niet tegenover elkaar, maar willen beide partijen duidelijkheid. Het wordt vaak polariserend neergezet. Natuurlijk kan het schuren, maar de ene partij kan niet zonder de andere.’

Als voorzitter van CNV Jongeren hoort Feitsma regelmatig dat organisaties en werknemers discussies hebben over afspraken die niet in beton gegoten zijn, zoals de werk-privébalans. ‘Er moet begrip zijn voor elkaars omstandigheden, maar het kan inderdaad schuren. Van jonge mensen horen we bijvoorbeeld regelmatig dat er problemen op het gebied van rouwverlof spelen. Rouwverlof is ontzettend belangrijk. De behoefte verschilt per individu. Het doel is op een gezonde manier het werk te hervatten, maar we kregen op een gegeven moment berichten van jongeren die op een uitvaart gebeld werden door hun werkgever, met de vraag wanneer ze weer komen werken. Dat was geen uitzondering, maar gebeurde best vaak.’

Visbeen vindt dit hoogst ongepast, maar snapt ook dat een organisatie op een gegeven moment moet weten waar ze aan toe is. ‘Ik zie dat mensen veel privézaken meenemen naar het werk. Bij burn-outverschijnselen spelen vaak ook andere stressoren op de achtergrond, bijvoorbeeld een eerste kind of een sterfgeval. Als werkgever is het soms lastig wat je bij een privéaangelegenheid wel mag vragen en niet. Als iemand na drie weken nog niet terug is, waar trek je dan de grens? Dat is een balans die organisaties met hun werknemers moeten vinden.’

‘Veel jongeren ervaren druk’

Na twee jaar waarin thuiswerken de norm was, moeten we nu opnieuw een balans vinden in de mate van flexibiliteit binnen de werktijden. Een van de trends die in de Workforce Preference Study 2022 naar voren komt, is het toenemende belang van flexibiliteit voor jongeren. ‘Je kunt wel flexibel zijn, maar dan sta je altijd aan’, plaatst Feitsma er meteen een kanttekening bij. ‘Door jouw telefoon en internet ben je constant bereikbaar. Je voelt de druk om te presteren en wilt het graag goed doen. Het is minder van negen tot vijf dan vroeger en je pakt dingen misschien ’s avonds laat nog op. Dat komt mede door een te grote prestatiedruk onder de nieuwe generatie.’

Daar is Visbeen het niet helemaal mee eens: ‘Ik denk dat de overwerkcultuur er juist minder is, omdat we meer thuiswerken.’ Feitsma: ‘Maar is dat alleen omdat mensen fysiek niet aanwezig zijn? Ik kan me ook voorstellen dat als je thuiszit, je nog wel met werk bezig bent.’

Visbeen: ‘Ik vermoed dat veel jongeren druk ervaren, zonder dat ze feitelijk werken. Jonge ouders vinden het misschien fijn hun tijd flexibel in te delen. Maar een aantal generatiegenoten voelt een constante druk, thuis en op kantoor. Je moet daarom als werkgever maatwerk leveren om te kijken wat per individu het beste past.’

Feitsma herkent zich hierin. ‘Zo pleit CNV Jongeren voor het recht op onbereikbaarheid, maar zoeken we als vakbond ook naar andere oplossingen, bijvoorbeeld de dertigurige werkweek of het verplicht maken van een burn-outpreventieplan dat maatwerk biedt.’

De toekomst van jongeren binnen de vakbond

Jongeren schijnen dus meer behoefte te hebben aan flexibilisering en maatwerk. Maar wat betekent dit voor de rol van vakbonden? In het eerste interview liet Raymond Welmers zich kritisch uit over de representatie van jongeren binnen vakbonden. Feitsma erkent dat probleem. ‘Als vakbond komen we ook op voor de belangen van de jonge werknemers. We zijn altijd op zoek naar nieuwe vormen om deze groep nog meer aan te spreken. Het collectiviteitsgevoel van de vakbond kan misschien in strijd voelen met de trend van individualisme onder jonge generaties. Door meer individuele dienstverlening aan te bieden, zoals loopbaancoaching, proberen we daaropin te spelen. Bovendien geloof ik in de kracht van de vakbond, want samen blijf je altijd sterker staan.’

Feitsma: ‘Waar dat ook belangrijk is, is binnen organisaties zelf. Daar zien we dat jongeren slecht gerepresenteerd zijn in ondernemingsraden, die vergrijzen gigantisch! Terwijl dat wel de plek is waar je medezeggenschap hebt en invloed kan uitoefenen op je werkomgeving. Echter zien we wel dat jongeren zich op andere manieren willen uitspreken. Het is dan zoeken naar een nieuwe vorm om jongeren ook bij een OR te betrekken.’

 

 

Visbeen: ‘In mijn optiek vinden jongeren het vervelend zich met één ‘groepje’ te identificeren. De behoefte om binnen en buiten de organisatie in dit soort netwerken te bewegen, neemt af. Als werkgever vind ik het belangrijk dat jongeren hun stem laten horen om een gedragen beeld te krijgen.’

Feitsma: ‘Ouderen in de ondernemingsraad zeggen vaak dat ze jong van geest zijn. Maar zo werkt het niet. We moeten ook de stem van jongeren kunnen laten horen! Ik denk dat een OR op sommige vlakken zichtbaarder moet zijn voor jongeren. Dat kan beter.’

Bron: www.pwc.nl